Activiteit 1. Virtuele moestuin

De kinderen ontwerpen een virtuele moestuin. Wat zou jij planten als je een stuk grond kreeg en enkel dingen mag eten die je zelf kweekte? En is er dan genoeg grond als iedereen dat zou doen?

Totale tijd
75'
Leeftijd
1de graad secundair (12- 14 jaar)
3de graad lager (10-12 jaar)

Motivatie

Kinderen zijn veelal de voeling met de oorsprong van onze voeding verloren. Voedsel komt uit de winkel en er lijkt in de meeste gevallen wel altijd genoeg te zijn. Welke impact dat heeft op onze aarde en of er wel genoeg is voor iedereen als we onze levensstijl aanhouden, is ver van hun bed. 

In deze activiteit leren ze dat er te weinig grond is in Vlaanderen om de levensstandaard die we nu hebben aan te houden. In een volgende activiteit komt de voedseldriehoek en de problematiek globaal aan bod.

Eindtermen (Lager)

Wetenschappen en Techniek

1.6: De leerlingen kunnen illustreren dat de mens de aanwezigheid van organismen beïnvloedt;
1.12: De leerlingen kunnen het verband illustreren tussen de leefgewoonten van mensen en het klimaat waarin ze leven;
1.25: De leerlingen kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren dat aan milieuproblemen vaak tegengestelde belangen ten grondslag liggen;
1.26: De leerlingen tonen respect en zorg voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu.
 

Leergebiedoverschrijdende eindtermen (Lager)

ICT

1: De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.
2: De leerlingen gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.
6: De leerlingen kunnen met behulp van ICT voor hen bestemde digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.

LL

2: De leerlingen kunnen op systematische wijze verschillende informatiebronnen op hun niveau zelfstandig gebruiken.
3: De leerlingen kunnen op systematische wijze samenhangende informatie (ook andere dan teksten) verwerven en gebruiken.
4: De leerlingen kunnen eenvoudige problemen op systematische en inzichtelijke wijze oplossen.

SV

1.2 De leerlingen kunnen in omgang met anderen respect en waardering opbrengen.
1.3 De leerlingen kunnen zorg opbrengen voor iets of iemand anders.
1.4 De leerlingen kunnen hulp vragen en zich laten helpen.
1.5 De leerlingen kunnen bij groepstaken leiding geven en onder leiding van een medeleerling meewerken.
1.6 De leerlingen kunnen kritisch zijn en een eigen mening formuleren.
1.7 De leerlingen kunnen zich weerbaar opstellen naar leeftijdsgenoten en volwassenen toe door signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn.
1.8 De leerlingen kunnen zich discreet opstellen.
1.9 De leerlingen kunnen ongelijk of onmacht toegeven, kritiek beluisteren en eruit leren.
2. De leerlingen kunnen in functionele situaties een aantal verbale en niet-verbale gespreksconventies naleven.
3. De leerlingen kunnen samenwerken met anderen, zonder onderscheid van sociale achtergrond, geslacht of etnische origine.

Eindtermen (Middelbaar)

6.1: De leerlingen voeren bewerkingen uit met natuurlijke, gehele en rationale getallen.
6.4: De leerlingen passen benaderings-, afrondings- en schattingstechnieken toe bij het rekenen met getallen.
6.9: De leerlingen berekenen omtrek en oppervlakte van vlakke figuren en oppervlakte en inhoud van ruimtefiguren.
6.44: De leerlingen gebruiken in wiskundige, natuurwetenschappelijke, technologische en STEM-contexten gepaste grootheden en eenheden in een correcte weergave.
6.49: De leerlingen illustreren de wisselwerking tussen STEM-disciplines onderling en met de maatschappij.
6.50: De leerlingen beargumenteren keuzes die ze maken om een wiskundig, natuurwetenschappelijk, technologisch of STEM-probleem op te lossen.

Eindtermen basisgeletterdheid

BG 6.3 De leerling gebruikt maatgetallen en eenheden van grootheden in functionele contexten. 
BG 6.5 De leerling berekent omtrek en oppervlakte van een rechthoek in functionele contexten. 
BG 6.6 De leerling gebruikt wiskundige verhoudingen in functionele contexten.

Sociaal-relationele competenties

5.1 De leerlingen bewaken in interacties hun eigen fysieke en mentale grenzen. (transversaal - attitudinaal)
5.2 De leerlingen houden in interacties rekening met de opvattingen, fysieke en mentale grenzen en emoties van anderen. (transversaal - attitudinaal)
5.3 De leerlingen demonstreren hoe ze respectvol reageren tegen pest- en uitsluitingsgedrag. (transversaal)
5.4 De leerlingen demonstreren in informele en formele relaties geschikte sociale vaardigheden. (transversaal)
5.5 De leerlingen dragen in groepsactiviteiten met een welomschreven opdracht actief bij aan de uitwerking van een gezamenlijk resultaat. (transversaal)

Inleiding

Tonen van screenshot strategy game
(Turn-based, Wikipedia, https://nl.wikipedia.org/wiki/Turn-based_strategy)

Activiteit 1
 
Bespreek bovenstaand beeld.

Waarvan is dit beeld een screenshot? (computerspel)
Hoe speel je een dergelijk spel?
Welke elementen zijn er aanwezig?
Wat is het doel van het spel?

Deze context is een virtuele voorstelling waarbij een zelfvoorzienende stad wordt uitgebouwd. De speler voorziet land, verdediging tegen een andere speler, water, industrie, voedsel. Deze context is een opstap naar volgende activiteit. 
M (wiskunde): op schaal tekenen, opp. berekenen, legende.
Uitbreidingskans:
Dergelijk spel kan desgewenst live gespeeld worden op de speelplaats of in klas met een bordgame (zoals Catan).
 

Fase 1: Schets moestuin 1

Op dit blad is een stuk grond op schaal getekend, elke zijde van een vierkantje is 5 meter.

Ontwerp een moestuin.

  • Er is voldoende water, dus geen vijvers.
  • Zaden of planten van elk soort gewas zijn aanwezig en kunnen gebruikt worden.
  • De moestuin moet zo ontworpen worden dat je voeding voor 2 maanden enkel uit deze moestuin mag komen.
     

Fase 2: Moestuin 2. Onze werkelijke consumptie vegetarisch.

Je krijgt per groep een envelop met kaartjes. Deze kaartjes stellen voor hoeveel grond we écht gebruiken om planten te kweken om jaarlijks te voldoen aan de voedselvoorziening voor 1 persoon.

Nodig: envelop met  
1 groentenkaartje, 1 fruitkaartje, 1 aardappelkaartje, 3 graankaartjes en 4 koolzaadkaartjes (beetje vreemd, we beseffen eigenlijk niet hoeveel plantaardige oliën er in onze voeding zitten…) dit komt dan op 10 kaartjes en hiermee zou een 3de van ons bord reeds bedekt zijn (222.700/665.500).  

Vragen:

  • Wat kan je zeggen over de gebruikte grond? (ongeveer 1/3 is maar gebruikt, er is nog veel plaats over)
  • Koolzaad? (plantaardige olie kweken, neemt veel plaats in. Dit kan onder andere door koolzaad te telen  maar is ook afkomstig van zonnebloemen, olijven, maïs, noten, soja, palm,...)
  • Wat missen we? (er zijn geen dieren, is iedereen vegetarisch?)

Fase 3: Hoeveelheid grond berekenen per Vlaming.

In deze fase kan er gekozen worden de leerlingen zelf te laten opzoeken, de les kan ook over hectaren en km2 gaan.

De informatie kan ook zo meegegeven worden, elke Vlaming heeft een tuin nodig van 1282m2. Een gezin van 4 dus ongeveer 5000m2.

Ondersteunende info voor de leerkracht: 
Het Vlaamse departement Landbouw en Visserij zocht bij wijze van experiment uit hoeveel landbouwgrond er nodig zou zijn om de Vlamingen zelfvoorzienend te maken voor hun voedselvoorziening. Ze kwamen tot een totaal van 808.700 hectare, ofwel een tuin van 1.232 vierkante meter per Vlaming. Dit is dubbel zoveel als de moestuin die we voor ons hebben. Heeft iedereen zo’n grote tuin?

(6.559.000 Vlamingen, Een hectare is een eenheid van oppervlakte van 100 m × 100 m = 10 000 m² en wordt als ha afgekort. Een hectare is een afkorting van hecto-are ofwel 100 aren. Eén are heeft een oppervlakte van 10 m × 10 m = 100 m². Er gaan 100 hectare in 1 km²)
8087km2 : 6.559.000Vlamingen = 1232.

Fase 4. Hoe raken we dan aan ons eten?

Kopen we dat in de winkel? Waar komt dat dan vandaan? In het buitenland kopen?

Volgens ons plan is er genoeg grond om ons voedsel te kweken. Maar dan hebben we nog geen rekening gehouden met dieren. Maar hebben we eigenlijk dieren nodig? En wat geven zij ons?

In envelop 2 zitten 25 dierenkaartjes en 15 mestkaartjes. Dit is de oppervlakte die deze nodig hebben per Vlaming.
(Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen kaas, melk, eieren of vlees of soorten dieren).
Leg de kaartjes op jullie tuin.

Bespreek, laat de vragen en antwoorden zoveel mogelijk uit de leerlingen komen.

  • Er zijn maar 20 vakjes beschikbaar, 5 dierenkaartjes kunnen niet geplaatst worden.
  • Wat kunnen we met de mestkaartjes doen? (op de planten leggen, want mest is nodig! – Nut van dieren als voeding en voor mest). Toch blijven er nog 5 mestkaartjes over. 
  • Waarom zijn er zoveel dierenkaartjes? We eten toch niet dubbel zoveel vlees als plantaardig voedsel? (de dieren eten veel voedsel, graan, gras, soja).

Waar halen we het eten voor de dieren dan vandaan? 

Time-lapse kap Amazonewoud:

https://www.youtube.com/watch?v=L9zWDtDKDS8

Dit eten komt uit het buitenland (Z.-Amerika, Brazilië), het Amazonewoud wordt gekapt om soja te kweken om dat dan aan onze koeien,  varkens, schapen en kippen te geven. Het reist dus de halve wereldbol rond. Ook vervuiling door transport. Waarom is dat Amazonewoud belangrijk? (lucht zuiveren, zuurstof, vasthouden CO2, …) 

Goede grond stroomt weg, woestijn blijft over.
Extra info enkel voor de leerkracht:
https://www.youtube.com/watch?v=SAZAKPUQMw0

De oplossing?

  • Minder dieren eten! (zie volgende les, voedseldriehoek)
  • Meer vis eten? Geen oplossing, de zee is al overbevist en vis kweken vereist weer andere vis.

Of…? 

Deze vraag wordt pas in les 4 hernomen.
Voorafgaand komen nog les 2: De voedseldriehoek en les 3: De ecologische voetafdruk.

 

Materiaal

Per klas:

Per groep van 4:

  • A4 met rooster5x6 hokjes (op schaal, realiteit 25 x 30 meter)
  • Kaartjes in envelop die op het rooster passen (1 groentenkaartje, 1 fruitkaartje, 1 aardappelkaartje, 3 graankaartjes en 4 koolzaadkaartjes)
  • Extra kaartjes (25 dierenkaartjes, 15 mestkaartjes)

Concreet:
Per groepje lln:

  • Het leeg raster afdrukken op A3
  • Het blad met fruit en groenten afdrukken op A3
  • Het blad met de mest: een half blad per groep (15 mestkaartjes)
  • Het blad met dieren: 5 kaartjes per groep.
     

 

Groeperingsvormen

Groepen van 4