Activiteit 5. Bedrijfsbezoek Inagro.

De kinderen gaan op bezoek bij een insectenkwekerij (waar niet alleen gekweekt wordt, maar ook onderzoek gebeurt). Ze moeten vooraf het bedrijfsbezoek voorbereiden en kunnen daarna activiteiten uitvoeren (kweekactiviteiten en experimenten) op het bedrijf zelf. Nadien worden de ervaringen besproken in de klas. Deze activiteit is een combinatie van de didactiek tussen STEMmige bedrijvigheid en school@platteland

Totale tijd
180'
Leeftijd
1de graad secundair (12- 14 jaar)
3de graad lager (10-12 jaar)
Bedrijfsbezoek Inagro

Motivatie

In voorgaande activiteiten werden zelf insecten gekweekt en werden experimenten opgezet en uitgevoerd. De vraag rijst hoe dit op industriële schaal kan om aan de toekomstige vraag te voldoen. In dit opzet is het verrijkend om een praktijkproject te bezoeken.

Eindtermen (Lager)

Wetenschappen en Techniek 

1.1. De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren:  
1.2. De leerlingen kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese.  
1.3 De leerlingen kunnen in een beperkte verzameling van organismen en gangbare materialen gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden;  
  
1.5. De leerlingen kunnen bij organismen kenmerken aangeven die illustreren dat ze aangepast zijn aan hun omgeving;  
1.14. De leerlingen kunnen van courante materialen uit hun omgeving enkele eigenschappen aantonen;  
1.22. De leerlingen kunnen bij de verzorging van dieren en planten uit hun omgeving zelfstandig basishandelingen uitvoeren; 
1.23. De leerlingen tonen zich in hun gedrag bereid om in de eigen klas en school zorgvuldig om te gaan met afval, energie, papier, voedsel en water; 
 

Leergebiedoverschrijdende eindtermen (Lager)

LL 

3: De leerlingen kunnen op systematische wijze samenhangende informatie (ook andere dan teksten) verwerven en gebruiken. 
4: De leerlingen kunnen eenvoudige problemen op systematische en inzichtelijke wijze oplossen. 

SV 

1.2 De leerlingen kunnen in omgang met anderen respect en waardering opbrengen. 
1.3 De leerlingen kunnen zorg opbrengen voor iets of iemand anders. 
1.4 De leerlingen kunnen hulp vragen en zich laten helpen. 
1.5 De leerlingen kunnen bij groepstaken leiding geven en onder leiding van een medeleerling meewerken. 
1.6 De leerlingen kunnen kritisch zijn en een eigen mening formuleren. 
1.7 De leerlingen kunnen zich weerbaar opstellen naar leeftijdsgenoten en volwassenen toe door signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn. 
1.8 De leerlingen kunnen zich discreet opstellen. 
1.9 De leerlingen kunnen ongelijk of onmacht toegeven, kritiek beluisteren en eruit leren. 
2. De leerlingen kunnen in functionele situaties een aantal verbale en niet-verbale gespreksconventies naleven. 
3. De leerlingen kunnen samenwerken met anderen, zonder onderscheid van sociale achtergrond, geslacht of etnische origine. 
 
 

Eindtermen (Middelbaar)

6.1: De leerlingen voeren bewerkingen uit met natuurlijke, gehele en rationale getallen.  
6.44: De leerlingen gebruiken in wiskundige, natuurwetenschappelijke,  
technologische en STEM-contexten gepaste grootheden en eenheden in een correcte weergave.  
6.47: De leerlingen passen stapsgewijs de wetenschappelijke methode toe om een probleem te onderzoeken.  
6.48: De leerlingen doorlopen een probleemoplossend proces waarbij kennis en vaardigheden uit meerdere STEM-disciplines geïntegreerd worden aangewend.  
6.49: De leerlingen illustreren de wisselwerking tussen STEM-disciplines onderling en met de maatschappij.  
6.50: De leerlingen beargumenteren keuzes die ze maken om een wiskundig,    natuurwetenschappelijk, technologisch of STEM-probleem op te lossen.  
 

Eindtermen basisgeletterdheid

BG6.3 De leerling gebruikt maatgetallen en eenheden van grootheden in            functionele contexten.   
BG 6.6 De leerling gebruikt wiskundige verhoudingen in functionele contexten.  
 

Sociaal-relationele competenties

5.5 De leerlingen dragen in groepsactiviteiten met een welomschreven opdracht actief bij aan de uitwerking van een gezamenlijk resultaat. (transversaal) 

Inleiding

We vragen aan de leerlingen hoe zij een grote hoeveelheid meelwormen zouden kweken. Verschilt dit veel van hoe ze in de klas gekweekt hebben? Bestaan er fabriekjes/boerderijen waar dit gebeurt? Hoe zouden zij dit doen?  
 
 

Fase 1: Ontwerp een insectenboerderij (voorafgaand aan het bezoek)

Een boerderij is een allesomvattend (maar vaag) begrip van hoe het er in dat bedrijf aan toe gaat, welke materialen er gebruikt worden en hoe deze is ingedeeld.

Misschien zitten er boerenzonen  of -dochters in de klas, misschien hebben ze deelgenomen aan school@platteland (indien niet kunnen ze zaken opzoeken). 

Mogelijke werkvorm: De leerlingen krijgen luciferdoosjes en ontwerpen een moderne boerderij (plattegrond). Ze zoeken op wat er nodig is op een boerderij. Schuren, tractoren, stalplaats voor tractoren, stalling dieren, landbouwmachines, …

Misschien hebben ze een te romantisch beeld van een boerderij (zoals hieronder), denk terug aan activiteit 1 in dit project.

Inagro

Of iets realistischer:

Inagro 2

Verschillen deze boerderijen veel van insectenbedrijven? Wat is er nodig, niet meer nodig? Hoe zou een insectenkwekerij er uit zien? Teken eens een plattegrond van een insectenkwekerij. Hou hierbij rekening met de zaken die je onderzocht hebt tijdens het kweken van meelwormen in de klas (temperatuur, licht, voeder, water, oogsten,…) 

Deze vragen worden ook gesteld bij de inleiding door de begeleider van Inagro/Vives. De tekeningen worden door de kinderen meegebracht naar Inagro.
 
In welke mate komt jouw plattegrond overeen met het bedrijf? Wat hebben jullie in de klas onderzocht en hoe zouden ze dat hier doen?
 

Fase 2: Op bezoek bij de insectenboerderij

Als deze niet fysiek kan doorgaan vind je bij deze activiteit een film waarbij ze elk aspect op de insectenboerderij bespreken.

Rondleiding op de insectenkwekerij. (Zie plannetje)

Er worden 3 activiteiten voorzien:

  1. Kweekstapels bekijken, robot, uitleg over reststroom, eten geven.
  2. Manuele zeefkamer
  3. Geautomatiseerde zeefkamer

1) Kweekstapels, robot, reststroom

Kweekstapels
Vragen:

  • Starten bij de eitjes: Wat zie je in de bak? (eitjes, substraat) De eitjes zijn zeer klein en niet te zien – Tonen in een bakje zonder substraat.
  • Iets oudere larven: Hoe zou je ze te zien kunnen krijgen? te zien als ze gel krijgen (of wortel, voedsel).
  • Bakken met kevers in. Hoe krijgen we de kevers eruit? Waarom is het beter de kevers er uit te halen?

Reststroom, voedsel
Vragen:

  • Welk voedsel krijgen de meelwormen? (droog voedsel + voedsel waar vocht in zit, geen water!)
  • Vermelden: gefermenteerde witloofwortels. 

Uitleg vooraf best in de klas: Wat is witloof? (witte blaadjes die op een wortel groeien). De blaadjes worden afgesneden en de wortel wordt weggegooid (duurzaamheid: beter deze dan gebruiken dan nieuwe wortels kweken).

De witloofwortels worden gefermenteerd. We laten ze zuur worden (leerlingen zullen wsl antwoorden dat je iets kan bewaren in zout, door te koken, door te drogen, in de koelkast, in de diepvries). 
Maar denk aan augurkjes en zilveruitjes en mosseltjes: in azijn. Zuur = de bacteriën kunnen daar niet in leven.

Robot
Vragen:

  • Hoe zou je ervoor kunnen zorgen dat de boerderij meer kan produceren met minder werk (handenarbeid is hier intensief)? Antw: robotiseren? We bekijken de robot.


2) Manuele zeefkamer

We tonen 2 zeven. Wat is een zeef eigenlijk? Wat kan je ermee doen en hoe werkt het? Wat is het verschil? Waar kunnen deze voor dienen? Wat moet er gezeefd/gescheiden worden?

We moeten volgende dingen scheiden:
Mest, substraat, kevers, poppen, larven

Zeef 3,5 mm visgraat met rolletjes (poppen blijven bovenop liggen, rest valt erdoor)
Zeef 2 mm: de rest wordt verder uitgezeefd (larven blijven bovenop, eten en mest gaat er door)
Zeef 1 mm: eten blijft liggen, mest valt erdoor.

Opmerking: de kevers zitten nog bij de poppen en de larven!

Wat is het verschil tussen een kever en een pop? Wat kan een kever wat een pop niet kan? Mogelijke oplossing? We kunnen een ‘trapje’ plankje maken zodat de kevers kunnen ontsnappen. Denk aan mensen die de trap nemen, hoe kan dit sneller? Antw: lopende band (cfr. roltrap).

Extra activiteit hier: Wat doen we met de poppen? Waar zouden we die voor kunnen gebruiken?
Poppen per 400 gram in bakken stoppen (worden later kevers uit gekweekt – De cirkel is rond, terug naar de kweekkamer). Weegschaal nullen!, ...


3) Geautomatiseerde zeefkamer

Dit is een zeef van 2 mm. Larven worden van de rest gescheiden (zelfde vragen als hierboven)
De zeef wordt echt in werking gezet!

Opgelet: stofmaskers gebruiken!
 

Fase 3: Reflectie

Wat moet er nu gebeuren met de geoogste meelwormen? Dit komt aan bod in act. 6 en/of 7

 
Terugblik klassikaal op het bezoek:

Verschilt deze insectenboerderij nu veel van een gewone boerderij? Wat zijn de verschillen/ gelijkenissen. Voordelen? Nadelen?
 

Materiaal

Per klas: 

Per groep van 5 leerlingen:
Per leerling: Stofmasker meebrengen door de leerlingen (projectjaar 2020: Vives voorziet de maskers).

Alles aanwezig op het bedrijf: 

  • Kweekcellen met meelwormen en kevers 
  • Oogstmateriaal (zeven, poppenscheider, loopband,…) 
  • Robot om kweekbakken automatisch te voederen 
  • Weegschalen, vergrootglazen 

Groeperingsvormen

Nog navragen: de helft van de groep bezoekt aquacultuur (vissen) of bezoekt de witloofkwekerij.